Wettelijk kader smaad en smaadschrift

Het wettelijk kader voor smaad en smaadschrift kan gevonden worden in de volgende artikelen:

Artikel 261 Wetboek van Strafrecht - Smaad en smaadschrift

1. Hij die opzettelijk iemands eer of goede naam aanrandt, door telastlegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, wordt, als schuldig aan smaad, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
2. Indien dit geschiedt door middel van geschriften of afbeeldingen, verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen, of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore wordt gebracht, wordt de dader, als schuldig aan smaadschrift, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
3. Noch smaad, noch smaadschrift bestaat voor zover de dader heeft gehandeld tot noodzakelijke verdediging, of te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het te last gelegde waar was en dat het algemeen belang de telastlegging eiste.

Artikel 10 EVRM - Vrijheid van meningsuiting

1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

Overige wet- en regelgeving

Bij de strafbaarstelling van smaad in art. 261 Sr staat de beperking van de uitingsvrijheid ten dienste van de bescherming van de eer en goede naam van personen voorop. De bescherming van de eer en goede naam van personen is fundamenteel van karakter. In verschillende wetten en verdragen wordt de bescherming van de eer en goede naam van personen vooropgesteld:

  • Artikel 17 lid 1 van het IVBPR: "Niemand mag worden onderworpen aan (...) onwettige aantasting van zijn eer en goede naam."
  • Artikel 12 Universele verklaring voor de rechten van de mens:  "Niemand zal onderworpen worden (...) aan enige aantasting van zijn eer of goede naam. Tegen een dergelijke inmenging of aantasting heeft een ieder recht op bescherming door de wet".
  • In het EVRM wordt de bescherming van eer en goede naam vermeld als legitiem belang dat kan noodzaken tot het beperking van de uitingsvrijheid. De eer en goede naam worden gerekend tot de persoonlijke levenssfeer die wordt beschermd door art. 8 EVRM

De structuur van het artikel is omgekeerd aan die van art. 10 EVRM, waarin immers de uitingsvrijheid zelf het uitgangspunt is.

Artikel 6:162 BW - onrechtmatige daad

  1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.
  2.  Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
  3. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

Smaad en laster worden beschouwd als een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW. 

  • Inbreuk op een recht: Niemand zal onderworpen worden aan enige aantasting van zijn eer of goede naam; Als dat wel gebeurt, wordt er inbreuk gemaakt op het recht van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer
  • Strijd met wettelijke plicht: in de artikelen 261 e.v. Sr. zijn smaad en laster uitdrukkelijk in de wet strafbaar gesteld
  • Strijd met hetgeen in het maatschappelijke verkeer betaamt: Het wordt in het maatschappelijke verkeer als onbetamelijk beschouwd om iemand in zijn eer en goede naam aan te tasten

Wanneer iemand zich over een ander in smadelijke bewoordingen uitlaat, kan dit aan zijn schuld en krachtens de wet en de in het verkeer geldende opvattingen aan hem worden toegerekend en pleegt hij jegens die ander een onrechtmatige daad. Dit maakt die persoon krachtens artikel 6:162 BW aansprakelijk en verplicht hem om de dientengevolge geleden schade te vergoeden, de uitingen onmiddellijk te stoppen en te verwijderen, als verbiedt hem om zich nog verder onrechtmatige uitingen te doen. Ook kan gevorderd worden om een rectificatie te plaatsen.

> Meer informatie vorderingen bij smaad en laster

 
Deel deze paginaShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Direct contact met een advocaat?
Meld gratis en vrijblijvend uw zaak aan.
Zaak aanmelden