Vrijheid van meningsuiting vs smaad en smaadschrift

Enerzijds het recht van klager op bescherming van zijn eer en goede naam – in het verlengde van zijn recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, bedoeld in art.8, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) -, anderzijds het recht van beklaagde op vrijheid van meningsuiting, eveneens gegarandeerd in het EVRM (art. 10, eerste lid). Eerst dient de reikwijdte van beide conflicterende grondrechten ten opzichte van elkaar te worden vastgesteld voordat in een belangenafweging kan worden nagegaan welk recht het wint van het andere (HR 6 januari 1995, NJ 1995, 422, Het Parool/G-arrest).

In de Europese en Nederlandse rechtspraak is algemeen aanvaard dat de vrijheid van meningsuiting, zeker van een politicus, doorgaans zwaarder weegt dan het recht op bescherming van iemands eer en goede naam, zij het niet in absolute zin.

Deze uitingsvrijheid mag op grond van het tweede lid alleen dan beperkt worden indien die beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving, mits bovendien voorzienbaar en geregeld bij wet met het oog op daarvoor in aanmerking komende belangen. De bescherming van de eer en goede naam van personen is in dit verband een legitiem belang. De eer en goede naam worden in het tweede lid van art. 10 EVRM genoemd en bovendien vindt de eer en goede naam mede bescherming onder art. 8 EVRM. De eer en goede naam worden gerekend tot de persoonlijke levenssfeer. Dit blijkt uit een uitspraak van 15 november 2007 van het EHRM, waarin onder meer de volgende overweging voorkomt:

“The Court considers that a person’s reputation, even if that person is criticised in the context of a public debate, forms part of his or her personal identity and psychological integrity and therefore also falls within the scope of his or her ‘private life’. Article 8 therefore applies.” (ie EHRM 15 november 2007, nr. 12556/03 (Pfeifer tegen Oostenrijk), EHRC 2008, 6,).

Beoordelingskader

Het toetsingsmodel verloopt volgens vaste Straatsburgse rechtspraak als volgt:

  1. de eerste vraag is of een nationale veroordeling een inbreuk behelst op het recht van vrije meningsuiting.
  2. de tweede vraag is of deze beperking bij wet is voorzien.
  3. Vervolgens is de vraag of een van de doelen in art. 10, tweede lid, EVRM wordt gediend.

Wanneer het doel is vastgesteld komt aan de orde of de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting door middel van een veroordeling noodzakelijk is in een democratische samenleving, in dit geval gezien het belang van bescherming van de eer en goede naam. In een geval waarin meer EVRM-/grondrechten in het geding zijn, is het vertrekpunt dat aan het ene hoogwaardige recht/belang niet uit zichzelf voorrang toekomt boven het andere.

Op basis van een afweging van de relevante omstandigheden van het betrokken geval dient de rechter vast te stellen ten aanzien van welk recht een inbreuk moet worden aanvaard en in welke mate die inbreuk toelaatbaar is te achten (de eisen van de noodzaak en proportionaliteit van de inbreuk). Wanneer de vraag of de beperking noodzakelijk is wordt toegespitst op het belang van de bescherming van de goede naam of rechten van anderen, dan wordt daarbij acht geslagen op de positie die iemand in de samenleving inneemt (vgl. EHRM 7 december 1976, nr. 5493/72, (Handyside tegen het Verenigd Koninkrijk), NJ 1978/236). Een strafrechtelijke bestrijding van smaad of smaadschrift is niet vanzelfsprekend, maar toelaatbaar. In EHRM 23 april 1992, nr. 11798/85, (Castells tegen Spanje), NJ 1994/102 overwoog het Europese hof dat:

“It remains open to the competent authorities to adopt, in their capacity as guarantors of public order, measures, even of criminal nature, intended to react appropriately and without excess to defamatory accussations devoid of foundation or formulated in bad faith” (par. 46).

Uitingsvrijheid in debat / uiten van beschuldigingen

In de jurisprudentie van het Straatsburgse hof komt als vanzelfsprekend naar voren dat de uitingsvrijheid in het publieke debat bijzondere bescherming verdient. Het in de openbaarheid kunnen presenteren van een kritiek op justitieel onderzoek in de zin dat de verkeerde persoon voor een ernstig feit is veroordeeld, past bij het fundamentele recht op de vrijheid van meningsuiting. Die vrijheid van meningsuiting is geen vrijplaats voor het ongehinderd rondstrooien van beschimpingen, maar forse kritiek op personen is zeker mogelijk. Zo mag een publicist als onderdeel van een alternatieve toedracht van een ernstig misdrijf, waarvan hij overtuigd is, niet bij herhaling een voor het publiek identificeerbare persoon als de in zijn ogen werkelijke schuldige aanwijzen en zijn partner als degene die hem een vals alibi verschafte (HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0287).

De vrijheid van meningsuiting mag worden ingeperkt ten behoeve van de bescherming van de eer en goede naam van personen. Het door het EHRM toegepaste toetsingskader is hier steeds van belang.